1
De profeet fronst zijn voorhoofd en wendt zich af.
2
Omdat de blinde man tot hem kwam.
3
En hoe kunt gij weten of hij niet misschien van zijne zonden gezuiverd zal worden;
4
Of dat hij vermaand zal worden, en dat de vermaning van eenig voordeel zal wezen.
5
Den mensch die rijk is.
6
Ontvangt gij gij met eerbied;
7
Terwijl gij er niet van beschuldigd wordt, dat hij niet gezuiverd is.
8
Maar hij die tot u komt, om zijn heil ernstig te zoeken.
11
Gij moest volstrekt niet zoo handelen. Waarlijk, de Koran is eene vermaning.
12
(En hij die daartoe gezind is, onthoudt deze).
13
En hij is op geachte bladen geschreven.
16
Geëerde en rechtvaardige schrijvers.
17
Gevloekt zij de mensch! Wat heeft hem tot ontrouw verleid?
18
Van wat schiep God hem?
19
Van een droppel zaad schiep hij hem; En hij vormde hem met evenredigheid.
20
Daarna vergemakkelijkte hij zijn uitgang uit den schoot der moeder.
21
Daarna deed hij hem sterven, en legde hem in het graf.
22
Hierna, als het hem zal behagen, zal hij hem tot het leven opwekken.
23
Waarlijk, hij heeft tot hiertoe niet volkomen vervuld wat God hem heeft bevolen.
24
Laat den mensch zijn voedsel beschouwen (en op welke wijze het wordt voortgebracht).
25
Wij doen het water door regenbuien nederstorten;
26
Daarna splijten wij de aarde met spleten.
27
En wij doen het koren daaruit voortspruiten.
28
Den wijngaard en het klaverblad;
29
Den olijfboom en den palmboom.
30
En tuinen dicht met boomen beplant.
Sonraki 12 ayet →