1
O gij die met een mantel bedekt zijt!
5
Ontvlucht iedere schande.
6
Geef niet in de hoop, daarvoor meer terug te ontvangen.
7
En wacht geduldig op uwen Heer.
8
Als de trompet zal klinken.
9
Waarlijk die dag zal een dag der droefheid wezen.
10
En pijnlijk voor de ongeloovigen.
11
Laat mij alleen met hem dien ik geschonken heb;
12
Wien ik overvloedige rijkdommen heb geschapen.
13
En kinderen die in zijne tegenwoordigheid wonen;
14
Voor wien ik de zaken gemakkelijk en gebaand heb gemaakt,
15
En die begeert, dat ik hem nog andere zegeningen zal zenden.
16
Volstrekt niet; want hij is een tegenstander onzer wonderteekens.
17
Ik zal hem met ernstige rampen bedroeven;
18
Want hij heeft honende uitdrukkingen uitgedacht en gereed gemaakt, om den Koran belachelijk te maken.
19
Gevloekt zij hij. Hoe kwaadwillig heeft hij die gereed gemaakt!
20
En hij moge nog eens gevloekt zijn. Hoe kwaadwillig heeft hij die gereed gemaakt!
21
Hij heeft zijne blikken om zich heen geworpen.
22
Daarop heeft hij zijn voorhoofd gefronsd en een ernstig gelaat aangenomen.
23
Vervolgens keerde hij zich van de waarheid en hij was opgeblazen van trotschheid.
24
En hij zeide: Dit is slechts een goochelstuk, aan anderen ontleend.
25
Dit zijn slechts de woorden van een mensch.
26
Ik zal hem in de hel nederwerpen, om verbrand te worden.
27
En wat zal u doen verstaan, wat de hel is?
28
Zij laat geen ding onverteerd, noch laat eenige zaak ontsnappen.
29
Zij verbrandt des menschen vleesch.
30
Negentien engelen zijn daarover geplaatst.
Sonraki 26 ayet →