1
Zeg: Ik zoek mijne toevlucht bij den Heer der menschen,
2
Den Koning der menschen,
4
Dat hij mij bevrijde van de boosheid van den luisteraar, die snoode gedachten inblaast en zich dan verborgen terugtrekt.
5
Die kwaade ingevingen der menschen aan de harten toefluistert.
6
Tegen de geniussen en de menschen.