1
Hij fronste en keerde zich af
2
toen de blinde man bij hem kwam.
3
Maar hoe kun jij het weten, misschien dat hij zich loutert
4
of zich Iaat vermanen, zodat de vermaning hem baat.
5
Maar de zelfgenoegzame rijke
6
aan hem wijd je alle tijd.
7
Toch deert het jou niet dat hij zich niet loutert.
8
Maar wie op jou toe komt snellen
9
en daarbij vol vrees is,
10
aan hem schenk jij geen aandacht.
11
Nee toch, zij zijn een vermaning!
12
Dus, wie wil denkt eraan,
13
[geschreven als zij zijn] op vereerde bladen,
14
die verheven zijn en reingemaakt,
15
met de hand van schrijvers,
16
die edel zijnen vroom.
17
De mens kan doodvallen, ondankbaar als hij is.
18
Waaruit heeft Hij hem geschapen?
19
Uit een druppel heeft Hij hem geschapen en toen heeft Hij zijn maat bepaald.
20
Dan heeft Hij de weg voor hem gebaand.
21
Dan laat Hij hem sterven en begraaft hem.
22
Dan, wanneer Hij wil, wekt Hij hem op.
23
Welnee, hij heeft nog niets uitgevoerd van wat Hij geboden heeft.
24
De mens moet maar eens zijn voedsel bekijken.
25
Dat Wij het water in gutsen uitgieten,
26
dan de aarde in voren openbreken
27
en dan erin laten ontspruiten: graan,
28
wijnstokken en voedergewassen,
30
in dichtbegroeide boomgaarden,
Sonraki 12 ayet →