3
Jouw Heer, verheerlijk Hem.
4
Jouw kleren, reinig ze.
5
De gruwel, vermijd die.
6
Doe niet wel om meer te krijgen.
7
En op jouw Heer, wacht geduldig.
8
Wanneer dan op de hoorn geblazen wordt,
9
dat is dan op die dag een moeilijke dag,
10
voor de ongelovigen niet gemakkelijk.
11
En laat Mij maar met hen die Ik alleen geschapen heb
12
en aan wie Ik uitgestrekt bezit gegeven heb
14
En Ik had voor hem een goede plaats bereid,
15
maar dan verlangt hij van Mij nog meer!
16
Welnee, want hij was tegen Onze tekenen weerspannig.
17
Ik zal hem ondraaglijke kwelling opleggen.
19
Doodvallen kan hij, hoe hij wikte.
20
En nog eens doodvallen kan hij, hoe hij wikte.
22
Toen fronste hij en grijnsde.
23
Toen keerde hij de rug toe en was hoogmoedig.
24
En hij zei: "Dit is slechts toverij die wordt doorverteld;
25
dit zijn slechts de woorden van een mens."
26
Ik zal hem in de hellehitte laten braden.
27
En hoe zul jij te weten komen wat de hellehitte is?
28
Zij laat niets over en zij laat niets achter.
30
Negentien hebben er opzicht over haar.
Sonraki 26 ayet →