1
O mensen, vreest jullie Heer die jullie uit één wezen geschapen heeft, die uit hem zijn echtgenote schiep en die uit hen beiden vele mannen en vrouwen heeft voortgebracht en [over de aarde] verspreid. Vreest God uit wiens naam jullie elkaar iets vragen en respecteert de verwantschapsbanden. God is opziener over jullie.
2
Geeft de wezen hun bezittingen, ruilt het onbetamelijke niet in voor het goede en verteert hun bezittingen niet samen met jullie eigen bezittingen; dat is een grote zonde.
3
En als jullie vrezen ten aanzien van de wezen niet juist te handelen, trouwt dan met zoveel vrouwen als jullie goeddunkt, twee, drie of vier. Maar als jullie vrezen [haar] niet rechtvaardig te kunnen behandelen, dan met één of met slavinnen waarover jullie beschikken. Dat is het meest voor de hand liggend om onrechtvaardigheid te voorkomen.
4
Geeft de vrouwen haar bruidsgiften als een schenking, maar als zij jullie uit eigen beweging iets ervan toestaan, gebruikt het dan met genoegen en voldoening.
5
Geeft jullie bezittingen, die God jullie als middelen van bestaan verschaft heeft, niet aan de dwazen maar voorziet ermee in hun onderhoud en kleedt hen en spreekt tot hen op een vriendelijke manier.
6
En toetst de wezen totdat zij de leeftijd om te trouwen bereikt hebben en als jullie bij hen dan redelijk inzicht bemerken, overhandigt hun dan hun bezittingen. En verteert ze niet verkwistend en overijld voordat zij groot geworden zijn. Wie rijk is moet er afblijven en wie arm is moet er in redelijkheid van gebruiken. En als jullie hun dan hun bezittingen overhandigen laat er dan getuigen bij aanwezig zijn. God is goed genoeg om af te rekenen.
7
De mannen hebben een aandeel in wat de ouders en de verwanten nalaten en de vrouwen hebben een aandeel in wat de ouders en de verwanten nalaten of het nu weinig is of veel: een vastgesteld aandeel.
8
En wanneer bij de verdeling de verwanten, de wezen en de behoeftigen aanwezig zijn, geeft hun daarvan dan iets voor hun levensonderhoud en spreekt tot hen op een vriendelijke manier.
9
Zij die bevreesd zouden zijn, als zij zelf weerloze nakomelingen zouden achterlaten, moeten oppassen. Zij moeten God vrezen en passende woorden spreken.
10
Zij die de bezittingen van de wezen onrechtmatig verteren, verteren slechts vuur in hun buik en zij zullen in een vuurgloed braden.
11
God draagt jullie met betrekking tot jullie kinderen op: voor een mannelijk [kind] evenveel als het aandeel van twee vrouwelijke. Als er echter alleen maar vrouwen zijn en wel meer dan twee, dan is tweederde van wat hij nalaat voor haar. Maar als er maar één is dan is de helft voor haar. Voor de beide ouders: elk van beiden een zesde van wat hij nalaat, als hij kinderen heeft. Als hij geen kinderen heeft en zijn ouders erven van hem dan is een derde voor zijn moeder, maar als hij broers heeft dan is een zesde voor zijn moeder. [Dit geldt] na[dat rekening gehouden is met] een [testamentaire] beschikking die hij heeft gemaakt of een schuld. Jullie vaders en jullie zonen; jullie weten niet wie van hen jullie in nuttigheid het meest nastaat. [Dit is] een verplichting van God. God is wetend en wijs.
12
Voor jullie is de helft van wat jullie echtgenotes nalaten als zij geen kinderen hebben. Als zij kinderen hebben dan is een kwart van wat zij nalaten voor jullie. [Dit geldt] na[dat rekening gehouden is met] een [testamentaire] beschikking die zij hebben gemaakt of een schuld. Voor haar is een kwart van wat jullie nalaten als jullie geen kinderen hebben. Als jullie kinderen hebben dan is een achtste van wat jullie nalaten voor haar. [Dit geldt] na[dat rekening gehouden is met] een [testamentaire] beschikking die jullie hebben gemaakt of een schuld. Als er van een man of een vrouw in de zijlinie geërfd wordt terwijl hij een broer of een zuster heeft dan is er voor elk van beiden een zesde, maar als het er meer zijn, dan delen zij samen in een derde. [Dit geldt] na[dat rekening gehouden is met] een [testamentaire] beschikking die gemaakt is of een schuld. Er moet niet benadeeld worden! [Dit geldt] als een beschikking van God. God is wetend en zachtmoedig.
13
Dat zijn Gods bepalingen. Wie aan God en Zijn gezant gehoorzaamt die zal Hij binnenvoeren in tuinen waar de rivieren onderdoor stromen, daarin zullen zij altijd blijven. Dat is de geweldige triomf!
14
En wie ongehoorzaam is aan God en Zijn gezant en Zijn bepalingen overtreedt die zal Hij binnenvoeren in een vuur waarin hij altijd zal blijven. Voor hem is er een vernederende bestraffing.
15
Als er onder jullie vrouwen iemand is die een gruweldaad begaat, roept dan uit jullie midden vier getuigen op tegen haar. Als zij dan getuigenis geven, geeft haar dan huisarrest, totdat de dood haar wegneemt of God haar een uitweg biedt.
16
En de twee uit jullie midden die dat begaan, moeten jullie beiden straffen. Maar als zij berouw tonen en zich beteren, laat hen dan met rust. God is een genadegever en barmhartig.
17
Het is Gods taak om zich genadig tot hen te wenden die het verkeerde uit onwetendheid doen en dan spoedig berouw tonen. Zij zijn het tot wie God zich genadig wendt. God is wetend en wijs.
18
Maar de genadevolle aandacht geldt niet voor hen die verkeerde dingen blijven doen totdat een van hen, als de dood nabij is, zegt: "Nu heb ik berouw" en ook niet voor hen die als ongelovigen sterven. Zij zijn het voor wie Wij een pijnlijke bestraffing hebben klaargemaakt.
19
Jullie die geloven! Het is jullie niet toegestaan vrouwen tegen haar wil te erven en houdt haar niet tegen om iets van wat jullie haar gegeven hebben mee te nemen, behalve als zij een overduidelijke gruweldaad hebben begaan. En gaat vriendelijk met haar om. Als jullie een afkeer van haar hebben, dan zijn jullie misschien wel afkerig van iets waar God toch veel goeds in heeft gelegd.
20
En als jullie in plaats van een echtgenote een andere wensen te nemen en als jullie aan één van haar een fortuin gegeven hebben, neemt daarvan dan niets. Willen jullie het soms in lasterlijke slechtheid en duidelijke zonde nemen?
21
Hoe kunnen jullie het nemen terwijl jullie al tot elkaar gekomen zijn en zij met jullie een solide overeenkomst zijn aangegaan?
22
En trouwt niet met vrouwen met wie jullie vaders getrouwd geweest zijn, behalve als het al gebeurd is. Dat is iets gruwelijks en afschuwelijks en een slechte manier van doen.
23
Verboden [om mee te trouwen] zijn voor jullie je moeders, dochters, zusters, tantes van vaders- en moederskant, dochters van broers en zusters, zoogmoeders en zoogzusters, de moeders van jullie vrouwen en jullie stiefdochters die onder jullie hoede staan en die geboren zijn uit jullie vrouwen met wie jullie daadwerkelijk gemeenschap hebben gehad -- als jullie nog geen gemeenschap met haar hadden gehad, dan is het voor jullie geen vergrijp -- en de echtgenotes van jullie lijfelijke zonen en dat jullie twee zusters samen als vrouw hebben, behalve als het al is gebeurd. God is barmhartig en vergevend.
24
En ook [verboden om mee te trouwen zijn] de eerbaar getrouwde vrouwen, behalve slavinnen waarover jullie beschikken. Het is Gods voorschrift voor jullie. Daarnaast is het jullie toegestaan er met jullie bezittingen in eerbaarheid en niet in ontucht naar te streven. Voor het genot dat jullie van haar ontvangen, geeft haar daarvoor haar loon; een verplichting is het. Het geldt voor jullie niet als overtreding als jullie daarboven in onderlinge overeenstemming iets regelen nadat de verplichting is vastgelegd. God is wetend en wijs.
25
Als iemand van jullie het niet kan opbrengen te trouwen met eerbare gelovige vrouwen, dan kan hij trouwen met gelovige meisjes waarover jullie als slavinnen beschikken. God kent jullie geloof het best. Jullie horen bij elkaar. Trouwt dus met haar met toestemming van haar mensen en geeft haar in redelijkheid haar loon als eerbaar getrouwde vrouwen, die geen ontucht bedrijven en zich geen minnaars nemen. Wanneer men dan eerbaar met haar getrouwd is en als zij dan een gruweldaad begaan, dan geldt voor haar de helft van de bestraffing die voor de eerbaar getrouwde vrouwen geldt. Dat is voor wie uit jullie midden bang zijn zich te bezondigen. Maar dat jullie geduldig volharden is beter voor jullie. God is vergevend en barmhartig.
26
God wil jullie duidelijkheid verschaffen, jullie op het goede pad brengen volgens de gewoonten van hen die er voor jullie tijd waren en zich genadig tot jullie wenden. God is wetend en wijs.
27
En God wenst zich genadig tot jullie te wenden maar zij die de begeerten najagen wensen dat jullie geweldig gaan afwijken.
28
God wenst het voor jullie gemakkelijk te maken; de mens is immers zwak geschapen.
29
Jullie die geloven! Verteert niet onderling elkaars bezittingen door bedrog, behalve als het om handel met wederzijdse instemming gaat, en doodt elkaar niet. God is voor jullie barmhartig.
30
Wie het in overtreding en onrechtmatigheid toch doet, die zullen Wij in een vuur laten braden; dat is voor God gemakkelijk.
Sonraki 30 ayet →