1
S[aad]. Bij de Koran met de vermaning!
2
Jazeker, zij die ongelovig zijn zijn hoogmoedig en zij zijn het oneens.
3
Hoeveel generaties hebben Wij reeds vóór hun tijd vernietigd. Zij riepen dan, maar er was geen tijd meer om te ontkomen.
4
Zij verbazen zich dat er tot hen een waarschuwer uit hun midden gekomen is. De ongelovigen zeggen: "Dit is een leugenachtige tovenaar.
5
Wil hij de goden dan tot één god maken? Dit is wel iets wonderlijks."
6
En de voornaamsten onder hen gaan verder: "Gaat voort en houdt vast aan jullie goden; dat is iets wat gewenst moet worden.
7
Wij hebben dit in het laatste geloof niet eens gehoord; dit is slechts een uitvindsel.
8
Is uit ons midden tot hem de vermaning neergezonden?" Welnee, zij verkeren in twijfel over Mijn vermaning. Nee, zij hebben Mijn bestraffing nog niet geproefd.
9
Of zijn bij hen de schatkamers van de barmhartigheid van jouw Heer, de machtige, de vrijgevige?
10
Of hebben zij de heerschappij over de hemelen en de aarde en wat tussen beide is? Laten zij dan maar op de ladders omhoogklimmen.
11
Een troepenmacht van de partijen is het die daar verslagen is.
12
Voor hun tijd had het volk van Noeh van leugens beticht en ook de 'Aad en Fir'aun van de tentpinnen,
13
en de Thamoed en het volk van Loet en de mensen van het kreupelbos; dat waren de partijen.
14
Zij allen hebben niet anders gedaan dan de gezanten van leugens betichten en dus is de afstraffing bewaarheid.
15
Dezen hebben niets anders te verwachten dan één schreeuw die geen onderbreking heeft.
16
En zij zeggen: "Onze Heer, geef ons snel ons aandeel, nog voor de dag van de afrekening."
17
Verdraag wat zij zeggen geduldig en denk aan Onze dienaar Dawoed, de solide; hij was schuldbewust.
18
Wij maakten de bergen samen met hem dienstbaar, zodat zij Ons in de avond en bij zonsopgang prijzen,
19
en ook de verzamelde vogels; alles wendde zich schuldbewust tot Hem.
20
En Wij versterkten zijn heerschappij en gaven hem wijsheid en onderscheidingsvermogen.
21
Is het bericht over het getwist tot jou gekomen toen zij over de muren van het paleisgebouw klommen?
22
Toen zij bij Dawoed binnenkwamen en hij van hen schrok, maar zij zeiden: "Wees niet bang. Wij zijn twee tegenstanders, een van ons heeft de ander onrechtvaardig behandeld. Oordeel dus naar waarheid tussen ons en wijk er niet van af en leid ons naar de correcte uitweg.
23
Dit is mijn broer, hij heeft negenennegentig schapen en ik heb maar één schaap en hij zei: 'Laat mij ervoor zorgen.? En hij heeft mij overreed."
24
En hij zei: "Hij heeft jou onrecht aangedaan door jouw schaap nog bij zijn schapen te vragen. Velen van hen die gemeenschappelijk eigendom hebben behandelen elkaar onrechtmatig. Alleen niet zij die geloven en de deugdelijke daden doen, maar met hoe weinigen zijn zij!" En Dawoed vermoedde wel dat Wij hem in verzoeking gebracht hadden en hij vroeg zijn Heer om vergeving, viel buigend neer en betoonde zich schuldbewust. --
25
En Wij vergaven hem dat; hij staat Ons na en heeft een goede terugkomst.
26
O Dawoed, Wij hebben jou tot opvolger op de aarde gemaakt. Oordeel dus naar waarheid tussen de mensen en volg [je eigen] neiging niet, want die zal je van Gods weg doen afdwalen; voor hen die van Gods weg afdwalen is er een strenge bestraffing omdat zij de dag van de afrekening hebben vergeten.
27
En Wij hebben de hemel en de aarde en wat er tussen beide is niet voor niets geschapen. Dat denken zij die ongelovig zijn. Wee hen die ongelovig zijn, wegens het vuur.
28
Of zullen Wij hen die geloven en de deugdelijke daden doen soms zo behandelen als hen die op de aarde verderf zaaien? Of behandelen Wij de godvrezenden als de overtreders?
29
[De Koran] is een gezegend boek dat Wij naar jou hebben neergezonden, opdat zij de verzen ervan overdenken en opdat de verstandigen zich laten vermanen.
30
En Wij hebben aan Dawoed Soelaimaan geschonken, een voortreffelijk dienaar; hij was schuldbewust.
Sonraki 30 ayet →