3
Jij behoort tot de gezondenen,
5
Het is de neerzending door de machtige, de barmhartige,
6
opdat jij mensen waarschuwt van wie de voorvaderen niet gewaarschuwd waren, zodat zij onoplettend zijn.
7
De uitspraak over de meesten van hen is bewaarheid; toch geloven zij niet.
8
Wij hebben de halsketenen om hun nekken gelegd en die komen tot hun kinnen zodat zij omhoog moeten kijken.
9
En Wij hebben vóór hen een barrière en achter hen een barrière gemaakt en hen met een sluier bedekt zodat zij dus niets kunnen zien.
10
En het maakt voor hen niet uit of jij hen waarschuwt of niet; zij geloven niet.
11
Jij kunt slechts hem waarschuwen die de vermaning volgt en de Erbarmer in het verborgen vreest. Verkondig hem dus vergeving en een voortreffelijk loon.
12
Wij maken de doden weer levend en Wij schrijven wat zij vroeger gedaan hebben op, ook de sporen die zij nalaten. Alles hebben Wij opgesomd in een duidelijk en voorbeeldig boek.
13
Maak voor hen een vergelijking met de bewoners van de stad toen de gezondenen tot hen kwamen.
14
Toen Wij er twee tot hen zonden en zij die beiden van leugens betichtten. Toen lieten Wij als versterking een derde komen. Zij zeiden dus: "Wij zijn tot jullie gezonden."
15
Zij zeiden: "Jullie zijn slechts mensen zoals wij. De Erbarmer heeft niets neergezonden; jullie liegen alleen maar."
16
Zij zeiden: "Onze Heer weet dat wij echt tot jullie zijn gezonden.
17
Wij hebben alleen maar de plicht van de duidelijke verkondiging."
18
Zij zeiden: "Wij zien in jullie een slecht voorteken. Als jullie niet ophouden zullen wij jullie stenigen en dan zal jullie van onze kant een pijnlijke bestraffing treffen."
19
Zij zeiden: "Jullie slechte voorteken hangt met jullie zelf samen. Hebben jullie je laten vermanen? Welnee, jullie zijn overmatige mensen."
20
En er kwam uit het verste deel van de stad een man aanrennen die tot hen zei: "Mijn volk! Volgt de gezondenen.
21
Volgt hen die jullie geen loon vragen en die het goede pad volgen.
22
En waarom zou ik niet Hem dienen die mij geschapen heeft en tot wie jullie teruggebracht zullen worden?
23
Zal ik mij in plaats van de Erbarmer andere goden nemen? Als de Erbarmer voor mij tegenspoed wenst baat hun voorspraak mij niets en kunnen zij mij ook niet redden.
24
Dan zou ik werkelijk in duidelijke dwaling verkeren.
25
Ik geloof in jullie Heer; luistert dus naar mij."
26
Tot hem werd gezegd: "Ga de tuin binnen!" Hij zei: "Ach had mijn volk maar geweten,
27
dat mijn Heer mij vergeven en tot een van de geëerden gemaakt heeft."
28
Maar na zijn tijd zonden Wij geen troepenmacht tot zijn volk, Wij zonden ook niets neer.
29
Het was slechts één schreeuw en zij waren uitgeblust!
30
Wee de dienaren! Er komt geen gezant tot hen of zij drijven de spot met hem.
Sonraki 30 ayet →