1
Bij de snuivend rennenden
3
en de 's morgens aanstormenden,
5
en dan midden in de slagorde doorbreken!
6
De mens is zijn Heer niet erkentelijk.
7
Hij is er zelf getuige van.
8
Het bezit heeft hij hevig lief.
9
Weet hij het dan niet? Wanneer wat in de graven is wordt omgewoeld
10
en wat in het binnenste is tevoorschijn wordt gebracht,
11
dan is hun Heer op die dag over hen welingelicht.